Meer als duizend jaar wordt wierook gebruikt als religieus reukoffer en tegenwoordig ook als middel om een sfeer te scheppen. Van oorsprong komt wierook uit het Midden-Oosten maar tegenwoordig vind je de echte wierook in India, Nepal, Tibet en Japan.
Wierook betekent letterlijk 'heilige rook'. Het woorddeel wie- in dit woord komt overeen met het Duitse Weih- in Weihnachten ('Kerstmis'; letterlijk 'heilige nacht') en met het Nederlandse wij- in wijden en wijwater. Met wijwater wordt 'water om mee te wijden' bedoeld; zo is wierook 'rook waarmee iets wordt gewijd'.
Wierook komt oorspronkelijk van de boomsoort uit het geslacht Boswellia, die in de drogen streken van India en Arabië groeien. De gomhars die uit de bast van de boom worden gewonnen, wordt door middel van stoomdistillatie bewerkt zodat daar uit lichtgele olie komt met een peperachtige geur. Deze harsolie wordt samen met toevoegingen om een dunne bamboestokje gelijmd met jigat, een bastpoeder dat vol lijmstoffen zit. Houtskool wordt erbij toegevoegd zodat de dunne bamboehoutjes blijft branden. Een mix van houtpoeders, kruiden, fijngemalen bladeren en wortels en andere oliën geven het wierookstokje de specifieke geur en werking. De olie geeft het wierook het belangrijkste deel van de geur.
Een van de bekendste wierook is Sathya Sai Baba Nag Champa wierook.