
Dit boek vertelt het levensverhaal van de Japanse zenmeester Soko Morinaga. Morinaga (1925-1995) was tijdens zijn leven abt van het beroemde Daitokuji klooster in Kyoto en hoofd van de Hanazono universiteit, een universiteit voor boeddhistische monniken.
Het boek bestaat uit drie gedeeltes:
- In deel een vertelt Morinaga zijn levensverhaal vóór zijn intrede in het klooster en wat hem ertoe bracht om monnik te worden.
- Deel twee is zijn verhaal over zijn leven in het klooster als zenleerling, compleet met alle verwarring en ontberingen die hem ten deel vielen.
- In deel drie vertelt hij, inmiddels zenmeester geworden, wat hij in zijn (zen)leven geleerd heeft en hoe hij dat geleerde heeft weten toe te passen in zijn dagelijks leven.
Een ontroerend, warm en wijs boek.
Citaat uit het boek
Niets is afval
Kom mee’, sommeerde de roshi, en hij gaf me meteen mijn eerste taak: de tuin vegen. Ik liep achter de zeventig jaar oude meester aan naar de tuin en begon met een bamboe bezem de grond aan te vegen. Tuinen van zentempels zijn altijd heel zorgvuldig ontworpen. Er staan bomen in die zodanig gekozen zijn dat er het hele jaar door bladeren kunnen vallen. Er staan dus niet alleen esdoorns die in de herfst hun bladeren verliezen, maar ook eiken en kamferbomen, die in het voorjaar regelmatig van blad wisselen. Ik was in april aangekomen, en de hele tuin lag bezaaid met dode bladeren. Wat kunnen mensen (of ik, althans in gedachte) toch raar zijn. Terwijl ik van binnen op die ‘oude gek’ zat af te geven en er niet over piekerde hem zomaar mijn vertrouwen te schenken, wilde ik toch bij hem in de smaak vallen. Ik pakte dus snel die bezem en ging als een bezetene aan de slag. Al gauw had ik een berg dode bladeren bijeengeveegd. Vol verlangen om te laten zien hoe ijverig ik was geweest, vroeg ik: ‘Roshi, waar moet ik met dit afval naar toe?’ Nauwelijks had ik dit gezegd of hij schreeuwde me toe: ‘Niets is afval!’ ‘Niets is afval... maar dit dan?’ vroeg ik terwijl ik aarzelend op de berg bladeren wees. ‘Dus je gelooft me niet, hè?’ ‘Nou ja’, wist ik alleen maar uit te brengen, ‘ik wil alleen maar weten waar ik die bladeren moet weggooien.’ ‘Die mag je helemaal niet weggooien!’ schreeuwde hij opnieuw. ‘Maar wat moet ik er dan mee aan?’ vroeg ik. ‘Ga naar het schuurtje en breng een lege kolenzak mee,’ beval hij. Toen ik terugkeerde zag ik Roshi gebogen over de bladeren staan, bezig met de boel te schiften. Hij viste alle bladeren bij elkaar, waardoor het zwaardere zand en de kiezelsteentjes vanzelf naar beneden op de grond vielen. Vervolgens propte hij de bladeren in de kolenzak die ik uit het schuurtje had meegenomen, en stampte ze goed aan. Toen hij de laatste bladeren stevig in de zak had geduwd, zei hij: ‘Breng ze naar het schuurtje. Daar kunnen we vuur mee stoken om het water in badkuip te verwarmen.’ Toen ik naar het schuurtje liep moest ik stilletjes toegeven dat die zak met bladeren die ik over mijn schouder droeg inderdaad geen afval was, maar, zei ik bij mezelf, wat nu nog restte van die berg in de tuin was wel degelijk afval. Maar toen ik weer terug kwam, zag ik dat Roshi op zijn hurken bezig was de steentjes te sorteren uit wat nog van de berg bladeren over was. Nadat hij het laatste steentje er zorgvuldig uit had gehaald, beval hij: ‘Neem ze allemaal mee en leg ze onder de dakranden.’ Toen ik alle stenen tussen het grind had gelegd en de kuiltjes, veroorzaakt door de regen, netjes had opgevuld, constateerde ik dat niet alleen alle oneffenheden weggewerkt waren, maar dat het er ook nog eens fraai uitzag. Ik moest toegeven dat ook die kiezelsteentjes geen aanspraak konden maken op de kwalificatie ‘afval’. Maar er was nog meer over: kluitjes aarde, polletjes mos, kortom: de laatste restjes. Ik vroeg me af waar je die nog voor kon gebruiken. Ik zag Roshi doorgaan met zijn werk: hij verzamelde alle restjes bij elkaar en bekeek ze een voor een in zijn hand. Daarna speurde hij de grond af naar oneffenheden die hij vervolgens opvulde met de kluitjes aarde en het mos. Daarna stampte hij alles met zijn voet flink aan. Er was helemaal niets meer van de berg afval over. ‘Nou?’ vroeg hij. ‘Snap je het nu een beetje? Nooit, noch in mensen, noch in dingen is er ook maar iets wat je afval zou kunnen noemen.’ Dit was de eerste les die ik van Zuigan Roshi kreeg, en ik was er tamelijk van onder de indruk. Die woorden van de roshi hadden voldoende kunnen zijn om definitief mijn ogen te openen, maar helaas, zo ver was ik nog lang niet. ‘Nooit, noch in mensen, noch in dingen is er ook maar iets wat je afval zou kunnen noemen.’ Deze woorden verwijzen naar een fundamentele waarheid van het boeddhisme, maar wat die inhield, daar had ik in die tijd nog geen idee van.
|
|
|
|
|
Volg mijn bestelling:
Het boek wat u zocht niet gevonden?
Mail ons dan s.v.p.!
Misschien kunnen we
het voor u bestellen.
info@inspiratiewinkel.nl